Ellert Nijenhuis: slordig denker.
Zo typeerde Dr. H.F.M. Crombag de 'Dis deskundige' Ellert Nijenhuis in de Groene Amsterdammer (1996).
Een voorbeeld van de quasi-wetenschappelijke humbug die door deze Nederlandse voorstander van de MPS/DIS benadering wordt uitgekraamd, vond ik terug in een artikeltje uit de Groninger Universiteitskrant (dec. 2002).
Ellert Nijenhuis in gesprek met René Fransen:
We moeten af van de cartesiaanse scheiding tussen lichaam en geest, vindt Nijenhuis. Want traumas laten hun sporen niet alleen achter in het gedrag, maar ook in de hersenen. Uit proefdieronderzoek bleek dat de hippocampus kleiner werd na het toebrengen van ernstige stress. Ik heb met enkele collegas onderzocht of bij patiënten met dissociatieve stoornissen die trauma rapporteren, de hippocampus wellicht kleiner is dan bij mensen zonder psychische stoornissen. Deze hersenkern, die een belangrijke rol speelt bij de opslag van persoonlijke ervaringen in het geheugen, bleek bij patiënten met een dissociatieve identiteitsstoornis inderdaad duidelijk kleiner te zijn. Patiënten die met succes waren behandeld bleken een grotere hippocampus te hebben dan patiënten die nog in behandeling waren. Nader onderzoek moet duidelijk maken of dit verschil een effect van behandeling is. (bron)
Dat Nijenhuis bij patiënten met een dissociatieve identiteitsstoornis een kleinere hippocampus vindt, wekt geen verbazing.
Het is bekend dat cliënten die in MPD/DIS therapie zijn, in hoge mate gestresst raken. Die wordt namelijk door de therapie geïnduceerd. Kijk maar naar alle zelfmoorden als gevolg van deze therapie.
Een grote of kleine hippocampus heeft alles te maken met glucocorticoïden die vrijkomen bij langdurige blootstelling aan stressors. Dat is al sinds 1992 bekend. De langdurige stressor is in dit geval hoogstwaarschijnlijk de DIS-therapie zélf.
(bron: Sapolsky, R. (1992). Stress, the aging brain, and the mechanisms of neuron death. Cambridge, MA: MIT Press.)
Nijenhuis suggereert specifieke DIS aanwijzingen in de hersenen "op het spoor te zijn" en suggereert de heilzame effecten van (DIS) psychotherapie op de grootte van de hippocampus, maar faalt jammerlijk.
Ook van patienten die op last van hun verzekeraar moesten stoppen met DIS-therapie is bekend dat ze tamelijk snel "opknapten" na de gedwongen beëindiging van hun therapie.
Hoe verklaart Ellert Nijenhuis dát?
Tot slot nog een observatie van heel andere aard:
Zodra Dis 'onderzoekers' kritiek krijgen uit de hoek van de cognitiewetenschap of bio-psychologie bijvoorbeeld, verwijzen ze altijd naar hun "klinische praktijkervaring".
In de ivoren toren der onderzoekswetenschap zou men onvoldoende benul hebben van wat zich in de werkelijkheid afspeelt.
Waarom haalt Nijenhuis dan nu opeens laboratorium onderzoek aan waarvan hij (geheel ten onrechte) denkt dat het zijn standpunt ondersteunt?
Hypocriet!
